**1.** Elke Verdragsluitende Partij heeft het recht een exploitatievergunning van een door de andere Verdragsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij in te trekken of de uitoefening van de in artikel 3 van dit Verdrag genoemde rechten op te schorten of daaraan de voor de uitoefening van die rechten noodzakelijk geachte voorwaarden te verbinden:
indien niet te haren genoegen is aangetoond dat een aanmerkelijk deel van de eigendom van, en het daadwerkelijk toezicht op die luchtvaartmaatschappij berusten bij de Verdragsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen en/of bij haar onderdanen; of
indien die luchtvaartmaatschappij nalaat de van kracht zijnde wetten of voorschriften na te leven van de Verdragsluitende Partij die deze rechten verleent; of
indien die luchtvaartmaatschappij anderszins nalaat de exploitatie te verrichten overeenkomstig de krachtens dit Verdrag voorgeschreven voorwaarden.
**2.** Tenzij onmiddellijke intrekking of opschorting of het opleggen van voorwaarden, genoemd in het eerste lid van dit artikel, van wezenlijk belang is ter voorkoming van verdere inbreuken op wetten of voorschriften, worden deze rechten slechts uitgeoefend na overleg met de luchtvaartautoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij. Zulk overleg vangt aan binnen een termijn van zestig (60) dagen na de datum van het verzoek ter zake.
Artikel 5
Intrekking en opschorting van een exploitatievergunning
Onderdeel van Verdrag inzake luchtvervoer tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Russische Federatie· Arbitrage
Deze tekst geldt sinds 8 april 1998