**1.** De bij dit protocol verleende voorrechten en immuniteiten worden in het belang van Europol en niet tot persoonlijk voordeel van de betrokkenen zelf verleend. Het is de plicht van Europol en alle personen die deze voorrechten en immuniteiten genieten, in alle andere opzichten de wetten en voorschriften van de lidstaten na te leven.
**2.** De directeur is gehouden de immuniteit van Europol en van de personeelsleden van Europol op te heffen, in de gevallen waarin deze de rechtsgang zou belemmeren en opgeheven kan worden zonder dat de belangen van Europol worden geschaad. Ten aanzien van de directeur, de financieel controleur en de leden van het financieel comité heeft de Raad van Bestuur een soortgelijke verplichting. Ten aanzien van de leden van de Raad van Bestuur hebben de respectieve lidstaten de bevoegdheid om de immuniteiten op te heffen.
**3.** Wanneer de immuniteit van Europol als bedoeld in artikel 2, lid 2, is opgeheven, vinden door de justitiële autoriteiten van de lidstaten bevolen huiszoekingen en beslagleggingen plaats in aanwezigheid van de directeur of van een door hem gemachtigd persoon, overeenkomstig de bij of krachtens de overeenkomst vastgestelde geheimhoudingsregels.
**4.** Europol werkt te allen tijde met de betrokken autoriteiten van de lidstaten samen om een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken en voorkomt dat de bij dit protocol verleende voorrechten en immuniteiten worden misbruikt.
**5.** Wanneer een bevoegde autoriteit of een justitieel orgaan van een lidstaat van mening is dat sprake is van misbruik van een bij dit protocol verleend voorrecht of verleende immuniteit, pleegt het orgaan dat uit hoofde van lid 2 voor de opheffing van de immuniteit bevoegd is, op verzoek overleg met de betrokken autoriteiten om vast te stellen of bedoeld misbruik heeft plaatsgevonden. Indien dat overleg niet tot een voor beide zijden bevredigend resultaat leidt, wordt de kwestie overeenkomstig de in artikel 13 vastgestelde procedure opgelost.
Artikel 12
Opheffing van immuniteiten
Onderdeel van Protocol opgesteld op basis van Artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en Artikel 41, lid 3, van de Europol-Overeenkomst, betreffende de voorrechten en immuniteiten van Europol, de leden van zijn organen, zijn adjunct-directeuren en zijn personeelsleden· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 1 juli 1999