Naar hoofdinhoud
1. De Gemeenschap en haar Lid-Staten kennen voor de vestiging van Oezbeekse vennootschappen als omschreven in artikel 24, onder d, geen minder gunstige behandeling toe dan die welke zij aan vennootschappen uit derde landen toekennen. 2. Onverminderd de in bijlage II genoemde voorbehouden kennen de Gemeenschap en haar Lid-Staten de op hun grondgebied gevestigde dochterondernemingen van Oezbeekse vennootschappen, wat de werking daarvan betreft, geen minder gunstige behandeling toe dan die welke zij aan enige vennootschap uit de Gemeenschap toekennen. 3. De Gemeenschap en haar Lid-Staten kennen de op hun grondgebied gevestigde filialen van Oezbeekse vennootschappen, wat de werking daarvan betreft, geen minder gunstige behandeling toe dan die welke zij aan filialen van vennootschappen uit enig derde land toekennen. 4. Onverminderd de in bijlage III genoemde voorbehouden kent de Republiek Oezbekistan voor de vestiging van vennootschappen uit de Gemeenschap als omschreven in artikel 24, onder d, geen minder gunstige behandeling toe dan de meest voordelige behandeling die dit land aan Oezbeekse ondernemingen of aan ondernemingen uit enig derde land toekent. 5. Oezbekistan kent de op zijn grondgebied gevestigde dochterondernemingen en filialen van vennootschappen uit de Gemeenschap, wat de werking daarvan betreft, geen minder gunstige behandeling toe dan de meest voordelige behandeling die het respectievelijk aan eigen vennootschappen of filialen of respectievelijk aan vennootschappen of filialen uit enig derde land toekent.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel