In dit Verdrag wordt verstaan onder:
„scheepsafval”: de in de onderdelen b tot en met f nader bepaalde stoffen of voorwerpen, waarvan de bezitter zich ontdoet, wil ontdoen dan wel moet ontdoen;
„scheepsbedrijfsafval”: afval en afvalwater, dat bij het in bedrijf zijn en het onderhoud van het vaartuig aan boord ontstaat. Hieronder valt het olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval en het overige scheepsbedrijfsafval;
„olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval”: afgewerkte olie, bilgewater, en overig olie- en vethoudend afval, zoals afgewerkt vet, gebruikte filters, gebruikte poetslappen, vaten en verpakkingsmateriaal van dit afval;
„bilgewater”: oliehoudend water uit de bilge van de machinekamer, de voor- en achterpiek, de kofferdammen en de ruimten tussen zijwand en beunwand;
„overig scheepsbedrijfsafval”: huishoudelijk afvalwater, huisvuil, zuiveringsslib, slops en klein gevaarlijk afval, bedoeld in Deel C van de Uitvoeringsregeling;
„afval van de lading”: afval en afvalwater, dat in verband met de lading aan boord van het schip ontstaat. Hiertoe behoren niet de restlading en overslagresten, bedoeld in Deel B van de Uitvoeringsregeling;
„schip”: een binnenschip, zeeschip of drijvend werktuig;
„passagiersschip”: een voor het vervoer van passagiers gebouwd en ingericht schip;
„zeeschip”: een schip dat is toegelaten voor de zee- of kustvaart en overwegend daartoe is bestemd;
„ontvangstinrichting”: een schip dan wel een inrichting aan land, door de bevoegde autoriteiten toegelaten voor het in ontvangst nemen van scheepsafval;
„schipper”: degene onder wiens leiding het schip staat;
„gemotoriseerd schip”: een schip waarvan de hoofd- of hulpmotoren, met uitzondering van ankerlieren, verbrandingsmotoren zijn;
„gasolie”: van douanerechten en andere belastingen vrijgestelde brandstof voor binnenschepen;
„bunkerbedrijf”: bedrijf waarvan schepen gasolie betrekken;
„exploitant van de overslaginstallatie”: degene die beroepsmatig het laden en lossen van schepen uitvoert;
„verlader”: degene die de vervoersopdracht heeft verleend;
„vervoerder”: degene die zich beroepsmatig tot het vervoer van goederen verbindt;
„ladingontvanger”: degene die gerechtigd is de goederen in ontvangst te nemen.
Hoofdstuk
Artikel 1
Begripsbepalingen
Onderdeel van Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart· Financieel en economisch recht
Deze tekst geldt sinds 1 november 2009