Naar hoofdinhoud
1. Behalve in het geval dat de verdachte Nederlander is, is noch artikel 14 van deze Overeenkomst, noch artikel VII, eerste, tweede en derde lid, van het NAVO-Status Verdrag van toepassing op een voor de inwerkingtreding van deze Overeenkomst gepleegd strafbaar feit waarvan een lid van de Bundeswehr wordt verdacht, indien vóór dat tijdstip: de strafprocedure met betrekking tot een zodanig strafbaar feit is aangevangen of beëindigd door een autoriteit van de Bondsrepubliek Duitsland die rechtsmacht uitoefent, of het recht tot vervolging van het strafbare feit krachtens het Duitse recht is verjaard door het verstrijken van een bepaalde termijn. 2. Bij het bepalen van de strafmaat ten aanzien van een voor de inwerkingtreding van deze Overeenkomst gepleegd strafbaar feit houdt de Nederlandse rechtbank of autoriteit naar behoren rekening met de straf voorzien in de Duitse wetgeving waaraan de verdachte onderworpen was op het moment van het plegen van het strafbare feit, indien blijkt dat deze straf lichter is dan die welke is voorgeschreven in de Nederlandse wetgeving.

Rechtspraak bij dit artikel