De voor een voorlopige toepassing van de overeenkomst noodzakelijke overgangsbepalingen worden in onderlinge overeenstemming vastgesteld door de Hoge Overeenkomstsluitende Partijen tussen welke de overeenkomst van voorlopige toepassing is, in overleg met de overige Hoge Overeenkomstsluitende Partijen. Tijdens deze periode van voorlopige toepassing worden de taken van het Comité van artikel 16 van de overeenkomst uitgeoefend door de Hoge Overeenkomstsluitende Partijen, die in nauwe samenwerking met de Commissie van de Europese Gemeenschappen en in onderlinge overeenstemming besluiten nemen. Artikel 7, lid 3, en artikel 16 van de overeenkomst kunnen tijdens deze periode niet ten uitvoer worden gelegd.
Artikel 3
Artikel 3
Deze tekst geldt sinds 1 februari 2001