Onverminderd de overige bepalingen van de Verdragen, kan de Raad, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure en na raadpleging van het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen bepalingen vaststellen waarbij aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, in een door hem te bepalen mate, de bevoegdheid wordt verleend uitspraak te doen in geschillen die verband houden met de toepassing van op grond van de Verdragen vastgestelde besluiten waarbij Europese intellectuele eigendomsrechten worden ingesteld. Deze bepalingen treden pas in werking nadat zij door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen zijn goedgekeurd.
Betreft de Nederlandse tekst van het Verdrag, zoals laatstelijk
gewijzigd door het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het
Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting
van de Europese Gemeenschap; Lissabon, 13 december 2007. Voorheen art. 229 A.
DEEL ZESDE › TITEL I › HOOFDSTUK 1 › AFDELING VIJFDE
Artikel 262
Artikel 262
Onderdeel van Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie· Financieel en economisch recht
Deze tekst geldt sinds 1 december 2009