Naar hoofdinhoud
1. De bevoegde instanties van de Verdragsluitende Partijen nemen kennis van de op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij geldende beveiligingsbepalingen. 2. Om een nauwe samenwerking bij de uitvoering van dit Verdrag te waarborgen, consulteren de bevoegde instanties elkaar op verzoek van een van deze instanties. 3. Elke Verdragsluitende Partij verleent de nationale beveiligingsautoriteit van de andere Verdragsluitende Partij of elke in onderling overleg aangegeven andere instantie toestemming voor het afleggen van bezoeken op haar grondgebied om met haar beveiligingsinstanties haar procedures en inrichtingen ter beveiliging van gerubriceerde gegevens die haar door de andere Verdragsluitende Partij ter beschikking zijn gesteld, te bespreken. Elke Verdragsluitende Partij steunt deze instantie bij het vaststellen van het feit of dergelijke gegevens die haar door de andere Verdragsluitende Partij ter beschikking zijn gesteld, in toereikende mate worden beveiligd. De bijzonderheden worden door de bevoegde instanties vastgelegd.

Rechtspraak bij dit artikel