Naar hoofdinhoud
1. Wanneer twee of meer lidstaten betrokken zijn bij een procedure met betrekking tot een overeenkomstig de artikelen 2, 3 en 4 strafbaar gesteld feit, werken deze lidstaten doeltreffend samen bij het onderzoek, de vervolging en de bestraffing van het strafbaar feit, bijvoorbeeld door middel van wederzijdse rechtshulp, uitlevering, overdracht van strafvervolging of tenuitvoerlegging van in een andere lidstaat gewezen rechterlijke beslissingen. 2. Wanneer ten aanzien van een strafbaar feit meer dan één lidstaat bevoegd is en elk van hen ter zake van dezelfde feiten een vervolging kan instellen, bepalen de betrokken lidstaten in onderling overleg wie van hen de dader of daders zal vervolgen, met het doel de vervolging zo mogelijk in één lidstaat te centraliseren.

Rechtspraak bij dit artikel