Iedere Partij neemt de gepaste maatregelen die nodig blijken te zijn om zich ervan te vergewissen dat de overheidsinstanties alsmede elke overheidsfunctionaris overeenkomstig het nationale recht samenwerken met de autoriteiten die belast zijn met opsporing en vervolging van strafbare feiten:
door laatstgenoemde autoriteiten, op eigen initiatief, te informeren wanneer redelijke gronden bestaan om te vermoeden dat een van de krachtens de artikelen 2 tot en met 14 strafbaar gestelde feiten is gepleegd; of
door laatstgenoemde autoriteiten, op verzoek, alle noodzakelijke informatie te verschaffen.
HOOFDSTUK II
Artikel 21
Samenwerking tussen nationale autoriteiten
Onderdeel van Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie· Strafrecht
Deze tekst geldt sinds 1 augustus 2002