Naar hoofdinhoud
1. Iedere douaneadministratie wijst een centrale dienst aan als coördinatiedienst. Deze dienst is belast met het verzenden en ontvangen van verzoeken om wederzijdse bijstand en samenwerking ingevolge dit Verdrag en met de coördinatie van de wederzijdse bijstand en samenwerking, onverminderd het bepaalde in het tweede lid. Deze dienst is eveneens belast met de samenwerking met de andere autoriteiten die betrokken zijn bij een bijstandsmaatregel ingevolge dit Verdrag. De coördinatiediensten van de Partijen onderhouden het benodigde rechtstreekse contact tussen hen, in het bijzonder in de in Titel II bedoelde gevallen. 2. De activiteiten van de coördinatiediensten vormen geen beletsel voor rechtstreekse samenwerking tussen de overige diensten van de douaneadministraties van de Partijen, met name in gevallen met een spoedeisend karakter. Met het oog op de doeltreffendheid en samenhang worden de coördinatiediensten op de hoogte gebracht van elke vorm van rechtstreekse samenwerking. 3. Indien de behandeling van een verzoek niet of slechts ten dele onder de bevoegdheid van de douaneadministratie valt, zendt de nationale coördinatiedienst het verzoek aan de bevoegde nationale autoriteit en brengt zij de verzoekende administratie hiervan op de hoogte. 4. Indien op grond van het recht of vanwege feitelijke omstandigheden geen gevolg kan worden gegeven aan het verzoek, zendt de coördinatiedienst het verzoek terug aan de verzoekende administratie, vergezeld van de redenen waarom aan het verzoek geen gevolg kan worden gegeven.

Rechtspraak bij dit artikel