Naar hoofdinhoud
(1). Desgevraagd door de verzoekende Partij staat de aangezochte Partij de doorgeleiding van onderdanen van derde landen toe, indien de verzoekende Partij het afdoende bewijs levert dat zij de toelating door de Staat van bestemming of eventuele andere Staten van doorreis gewaarborgd heeft. (2). De Overeenkomstsluitende Staten doen het nodige om doorgeleidingen te beperken tot personen voor wie de rechtstreekse terugkeer naar de Staat van bestemming niet mogelijk is. (3). De verzoekende Partij dient het verzoek om doorgeleiding van onderdanen van derde landen of staatlozen binnen ten minste acht (8) werkdagen vóór de doorgeleiding in. De aangezochte Partij doet binnen vijf (5) werkdagen mededeling van haar antwoord op het verzoek. (4). Het vervoer onder politie-escorte van een door te leiden persoon vindt plaats overeenkomstig de voorschriften van de aangezochte Partij. (5). Een negatief antwoord op het verzoek om doorgeleiding dient met redenen te worden omkleed. (6). De voor doorgeleiding overgenomen persoon kan aan de verzoekende Partij worden teruggegeven indien de in artikel 15 van deze Overeenkomst genoemde omstandigheden achteraf worden vastgesteld. De doorgeleiding kan worden geweigerd indien de onderdaan van het derde land in het land van bestemming of eventuele andere Staten van doorreis het gevaar loopt van: vervolging op grond van ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde groep in de samenleving of politieke overtuiging; strafvervolging of tenuitvoerlegging van een strafvonnis, behalve wanneer het vonnis het gevolg is van het ongeoorloofd overschrijden van de grens.

Rechtspraak bij dit artikel