Naar hoofdinhoud

DEEL II

Artikel 3

Geregelde passagiersdiensten

Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Georgië inzake internationaal vervoer over de weg· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 1 september 2003

1. Geregelde passagiersdiensten met gebruikmaking van autobussen zijn onderworpen aan een systeem van vergunningen afgegeven door de bevoegde autoriteiten in de landen van vertrek en aankomst en, indien nodig, in transitolanden. 2. De vergunningaanvraag wordt gedaan bij de bevoegde autoriteiten in het land van vestiging van de vervoersondernemer. Indien de autoriteiten de aanvraag goedkeuren, wordt de vergunning overhandigd aan de bevoegde autoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij. De ingevolge artikel 14 ingestelde Gemengde Commissie neemt een beslissing over de vorm van de vergunningaanvraag, de procedure over instemming en de vereiste ondersteunende documenten. 3. De vergunningen worden afgegeven met de gezamenlijke instemming van de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen. Niettegenstaande de erkenning door de bevoegde autoriteiten van de wenselijkheid van een geregelde dienst, kan een aanvraag voor een vergunning worden afgewezen indien, onder andere: er geen pool-overeenkomst bestaat; de aanvrager niet in staat is het vervoer waarvoor hij een vergunning heeft aangevraagd te realiseren met de voertuigen die hij tot zijn onmiddellijke beschikking heeft; de aanvrager in het verleden niet heeft voldaan aan de voorwaarden van de vergunningen voor het internationaal vervoer van personen over de weg of de regels met betrekking tot verkeersveiligheid, met inbegrip van de regels met betrekking tot voertuignormen en de rij- en rusttijden van bestuurders ernstig heeft overtreden; in geval van een aanvraag voor verlenging van een vergunning, niet aan de voorwaarden voor de vergunning is voldaan. Een beslissing of een vergunning wordt afgegeven door de bevoegde autoriteiten, genomen binnen drie maanden na de datum waarop een volledige aanvraag is ontvangen. Indien een bevoegde autoriteit verzuimt binnen deze periode te antwoorden, wordt deze verondersteld impliciet met de afgifte van een vergunning te hebben ingestemd. Een vergunning is een jaar geldig en kan op verzoek worden verlengd. 4. Over wijzigingen van de exploitatievoorwaarden en opheffing van de dienst wordt besloten op basis van de in het tweede en derde lid vervatte procedure. Indien er geen vraag meer bestaat naar de dienst kan de exploitant deze opheffen door middel van een drie weken van tevoren gedane kennisgeving aan de autoriteiten die de vergunning hebben afgegeven en aan de klanten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel