Naar hoofdinhoud
1. De aangezochte Staat stelt de verzoekende Staat in kennis van zijn besluit ten aanzien van de uitlevering. 2. Iedere gehele of gedeeltelijke afwijzing van het verzoek wordt met redenen omkleed. 3. In geval de uitlevering wordt toegestaan, wordt de verzoekende Staat in kennis gesteld van de plaats en het tijdstip van overlevering en van de duur van de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon met het oog op zijn uitlevering. 4. Indien de opgeëiste persoon niet is overgeleverd op de vastgestelde datum, kan die persoon na verloop van vijftien (15) dagen vanaf die datum in vrijheid worden gesteld en behoeft na verloop van dertig (30) dagen geen gevolg meer aan de beslissing tot zijn uitlevering gegeven te worden.

Rechtspraak bij dit artikel