**1.** Uitlevering wordt toegestaan voor gedrag dat krachtens het recht van beide Staten een strafbaar feit oplevert dat met een gevangenisstraf van ten minste twaalf maanden of met een zwaardere straf is bedreigd. Bovendien dient, ingeval een gevangenisstraf of een andere vorm van vrijheidsbeneming is opgelegd door een rechter in de verzoekende Staat, het gedeelte van de straf of maatregel dat nog moet worden ondergaan ten minste zes maanden te bedragen.
**2.** Ook de poging tot of het samenspannen tot het plegen van, het behulpzaam zijn bij, het aanzetten tot het geven van raad met het oog op het plegen van of het doen plegen van of door aansporing tot of steun achteraf medeplichtig zijn aan een in het eerste lid omschreven strafbaar feit is een uitleveringsdelict.
**3.** Indien het verzoek om uitlevering betrekking heeft op zowel een gevangenisstraf of een andere vorm van vrijheidsbeneming zoals bedoeld in het eerste lid, als een vermogenssanctie, kan de aangezochte Staat ook uitlevering toestaan voor de tenuitvoerlegging van de vermogenssanctie.
**4.** Indien het verzoek om uitlevering betrekking heeft op een aantal feiten die krachtens het recht van beide Staten strafbaar zijn, doch waarvan er enkele niet voldoen aan de overige vereisten van het eerste lid, kan de aangezochte Staat ook uitlevering toestaan voor deze feiten.
Artikel 2
Uitleveringsdelicten
Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Trinidad en Tobago inzake uitlevering· Strafrecht