Bij het vaststellen van de aard en de omvang van de rechten van nieuwe leden van of nieuwe partijen bij een organisatie of akkoord voor visserijbeheer in subregionaal of regionaal verband dienen de Staten onder andere rekening te houden met
de situatie van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden en het bestaande niveau van visserij-inspanning ten opzichte van die visbestanden;
de belangen, het visserijpatroon en de vismethoden van de nieuwe leden of partijen enerzijds en de oude anderzijds;
de bijdrage van respectievelijk nieuwe en oude leden of partijen aan de instandhouding en het beheer van de betrokken visbestanden, aan het verzamelen en het verstrekken van nauwkeurige gegevens, en aan het wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot de visbestanden;
de behoeften van de vissersgemeenschappen in het betrokken kustgebied die in hoofdzaak afhankelijk zijn van de visserij op de betrokken visbestanden;
de behoeften van de Kuststaten waarvan de economie buitengewoon afhankelijk is van de exploitatie van de levende rijkdommen van de zee, en
de belangen van de Ontwikkelingslanden in de subregio of regio, als de betrokken visbestanden ook voorkomen in de gebieden onder nationale jurisdictie van die Staten.
DEEL III
Artikel 11
Nieuwe leden of partijen
Onderdeel van Overeenkomst over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden· Agrarisch recht
Deze tekst geldt sinds 18 januari 2004