Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Begripsomschrijvingen

Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Estland inzake de export en handhaving van socialeverzekeringsuitkeringen· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 juni 2004

1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder: „grondgebied", met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden: het grondgebied van het Koninkrijk in Europa; met betrekking tot de Republiek Estland: het grondgebied van de Republiek Estland; „bevoegde autoriteit", met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden, de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van Nederland; met betrekking tot de Republiek Estland, het ministerie van Sociale Zaken van Estland; „bevoegd orgaan", met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de takken van sociale verzekering bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b en c: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; met betrekking tot de takken van sociale verzekering bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, e en f: de Sociale Verzekeringsbank; met betrekking tot de Republiek Estland: de Nationale Sociale verzekeringsadministratie (met betrekking tot sociale verzekering en binnen haar bevoegdheid) en het Estse Ziekteverzekeringsfonds (met betrekking tot ziekte- en moederschapsuitkeringen); of elke organisatie bevoegd tot het uitvoeren van een taak die momenteel wordt uitgevoerd door voornoemde organen; „instanties", alle organisaties die betrokken zijn bij de uitvoering van dit Verdrag, met inbegrip van onder meer de bevolkingsregisters, geboorte-, overlijdens- en huwelijksregisters, belastingautoriteiten, arbeidsbureaus, scholen en andere onderwijsinstellingen, handelsautoriteiten, politie, gevangeniswezen en immigratiediensten; „wetgeving", de wetgeving met betrekking tot de takken van sociale verzekering genoemd in artikel 2; „uitkering", elke uitkering in geld of elk pensioen krachtens de wetgeving; „uitkeringsgerechtigde", een persoon die een uitkering aanvraagt of recht heeft op een uitkering; „gezinslid", een persoon die als zodanig wordt omschreven of aangemerkt door de wetgeving; „wonen", gewoonlijk wonen; „verblijven", tijdelijk wonen. 2. Andere in dit Verdrag gebruikte termen hebben de betekenis die daaraan in de toegepaste wetgeving wordt gegeven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel