Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK V

Artikel 41

Wederzijdse toerekening

Onderdeel van Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 28 juni 2004

1. De handelingen en nalatigheden van de feitelijke vervoerder of van zijn hulppersonen die handelen in de uitoefening van hun dienstbetrekking worden, met betrekking tot het door de feitelijke vervoerder verrichte vervoer, tevens geacht die van de contractuele vervoerder te zijn. 2. De handelingen en nalatigheden van de contractuele vervoerder of van zijn hulppersonen die handelen in de uitoefening van hun dienstbetrekking worden, met betrekking tot het door de feitelijke vervoerder verrichte vervoer, tevens geacht die van de feitelijke vervoerder te zijn. Niettemin zal geen van deze handelingen of nalatigheden de feitelijke vervoerder aansprakelijk kunnen maken boven de in de artikelen 21, 22, 23 en 24 gestelde grenzen. Geen bijzonder beding op grond waarvan de contractuele vervoerder verplichtingen op zich neemt die niet door dit Verdrag zijn opgelegd, geen afstand van rechten of verweermiddelen die door dit Verdrag worden verleend, en geen bijzondere verklaring omtrent het belang bij de aflevering, bedoeld in artikel 22 van dit Verdrag, zullen van kracht zijn ten aanzien van de feitelijke vervoerder, tenzij hij daarin heeft toegestemd.

Rechtspraak bij dit artikel