Naar hoofdinhoud

DEEL II › HOOFDSTUK 1

Artikel 20

Port- en rechtvrije zendingen

Onderdeel van Algemeen Postverdrag· Ondernemingspraktijk

Deze tekst geldt sinds 11 oktober 2004

1. In het verkeer tussen de postdiensten die daarmee hebben ingestemd, kunnen de afzenders, door middel van een voorafgaande verklaring aan het kantoor van herkomst, het totale bedrag van de porten en rechten waarmee briefpostzendingen en postpakketten bij de bestelling worden bezwaard, voor hun rekening nemen. Zolang een briefpostzending niet bij de geadresseerde is afgegeven, kan de afzender na de terpostbezorging vragen om de zending vrij van porten en rechten af te geven. 2. In de in het eerste lid bedoelde gevallen moet de afzender zich ertoe verbinden de bedragen te betalen die het kantoor van bestemming zou kunnen vorderen. In voorkomend geval dient hij een voorlopige betaling te doen. 3. De postdienst van herkomst heft van de afzender een toeslag waarvan het maximumbedrag in de Regelingen wordt vastgelegd en behoudt deze als vergoeding voor de in het land van herkomst geleverde diensten. 4. Wanneer een verzoek na de terpostbezorging van een briefpostzending wordt ingediend, heft de postdienst van herkomst voor elk verzoek bovendien een extra toeslag waarvan het maximumbedrag in de Regelingen wordt vastgelegd. 5. De postdienst van bestemming is gerechtigd om per zending een commissieloon te heffen waarvan het maximumbedrag in de Regelingen wordt vastgelegd. Dit loon staat los van het recht voor aanbieding bij de douane en wordt bij de afzender geïnd ten voordele van de postdienst van bestemming. 6. Elke postdienst heeft het recht om de dienst van port- en rechtvrije zendingen te beperken tot aangetekende briefpostzendingen met waardeaangifte.

Rechtspraak bij dit artikel