Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Uitzonderingen ten aanzien van de bronbelastingprocedure

Onderdeel van Briefwisseling houdende een overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Britse Maagdeneilanden betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 23 juli 2005

1. Bij het heffen van bronbelasting overeenkomstig artikel 2 van deze Overeenkomst voorzien de BME in een van de of beide van de volgende procedures teneinde te waarborgen dat de uiteindelijk gerechtigden een verzoek kunnen indienen dat geen bronbelasting wordt ingehouden: een procedure waarbij het de uiteindelijk gerechtigde als omschreven in artikel 6 van deze Overeenkomst is toegestaan de bronbelasting omschreven in artikel 2 van deze Overeenkomst te vermijden door zijn uitbetalende instantie uitdrukkelijk te machtigen de rentebetalingen te melden aan de bevoegde autoriteit van de Overeenkomstsluitende Partij waar de uitbetalende instantie is gevestigd. Een dergelijke machtiging bestrijkt alle ten gunste van de uiteindelijk gerechtigde door die uitbetalende instantie uitbetaalde rente; een procedure die garandeert dat geen bronbelasting wordt geheven indien de uiteindelijk gerechtigde aan zijn uitbetalende instantie een verklaring overlegt die overeenkomstig het tweede lid van dit artikel door de bevoegde autoriteit van zijn fiscale woonstaat op zijn naam is gesteld. 2. Op verzoek van de uiteindelijk gerechtigde geeft de bevoegde autoriteit van de Overeenkomstsluitende Partij van zijn fiscale woonstaat een verklaring af met daarin de volgende gegevens: naam, adres en fiscaal of ander identificatienummer of, bij ontstentenis daarvan, de geboortedatum en -plaats van de uiteindelijk gerechtigde; naam en adres van de uitbetalende instantie; en rekeningnummer van de uiteindelijk gerechtigde of, bij ontstentenis daarvan, een eenduidige omschrijving van het schuldinstrument. Een dergelijke verklaring is geldig voor ten hoogste drie jaar. Zij wordt afgegeven aan elke uiteindelijk gerechtigde die daarom vraagt, binnen twee maanden nadat het desbetreffende verzoek is ingediend, en voorzien van de datum van het verzoek alsmede van de datum van afgifte en geldt voor de betalingen die na de datum van het verzoek zijn verricht. 3. Indien het eerste lid, onderdeel a, van dit artikel van toepassing is, zendt de bevoegde autoriteit van de BME waar de uitbetalende instantie is gevestigd, de in artikel 3, eerste lid, van deze Overeenkomst bedoelde informatie aan de bevoegde autoriteit van het Koninkrijk der Nederlanden als woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde. Deze informatie wordt automatisch en ten minste eenmaal per jaar verstrekt, binnen zes maanden na afloop van het overeenkomstig de wetgeving van een Overeenkomstsluitende Partij vastgestelde belastingjaar, voor alle gedurende dat jaar verrichte rentebetalingen. Opgeschort per 1 januari 2016 (Trb. 2017/90). Opgeschort per 1 januari 2016 (Trb. 2017/90).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel