Degene die ingevolge de paragrafen 4.8 en 4.9 hierboven een eis tot schadevergoeding indient, dient een vordering in te dienen bij de Voorzitter van de RBc van de partij waar het voorval van verontreiniging zich heeft voorgedaan. Elke vordering moet worden gestaafd door bewijsmateriaal dat de berekening van de omvang van de geleden schade vergemakkelijkt. In gevallen waarin inkomsten worden ontvangen uit de verkoop van verzamelde olie(houdende stoffen), worden deze inkomsten evenwel op het gevorderde bedrag in mindering gebracht.
TITEL IV
Artikel 4.10
Indiening van eisen tot schadevergoeding
Onderdeel van Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Venezuela tot instelling van een bilateraal rampenplan voor olieverontreiniging ter bescherming van de kustgebieden en het mariene milieu· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 13 maart 1996