Naar hoofdinhoud

Artikel VII

Raadgevend comité

Onderdeel van Inter-Amerikaans Verdrag inzake de bescherming en het behoud van zeeschildpadden· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 2 mei 2001

1. Tijdens haar eerste vergadering richten de Partijen een raadgevend comité van deskundigen op, hierna te noemen „het raadgevend comité", dat is samengesteld als volgt: elke Partij kan een vertegenwoordiger bij het raadgevend comité benoemen. Deze kan in alle vergaderingen door adviseurs worden vergezeld; de Partijen benoemen tevens, bij consensus, drie vertegenwoordigers met erkende deskundigheid in zaken betreffende dit Verdrag uit elk van de onderstaande groepen: de wetenschappelijke gemeenschap; de private-sector; en niet-gouvernementele organisaties. 2. De taken van het raadgevend comité zijn de volgende: het beoordelen en analyseren van de in artikel XI genoemde rapporten en alle andere gegevens met betrekking tot de bescherming en het behoud van zeeschildpadden-populaties en hun habitats; het aan elke Partij verzoeken om aanvullende ter zake doende gegevens met betrekking tot de in dit Verdrag neergelegde of ingevolge dit Verdrag aangenomen maatregelen; het beoordelen van rapporten over de milieu-, sociaal-economische en culturele gevolgen voor de getroffen gemeenschappen voortvloeiend uit de in dit Verdrag neergelegde of ingevolge dit Verdrag aangenomen maatregelen; het beoordelen van de doelmatigheid van de verschillende voorgestelde maatregelen ter vermindering van de vangst en de incidentele sterfte van zeeschildpadden, alsmede de doelmatigheid van de verschillende TED's; het aanbieden aan de Partijen van een rapport over haar werk, waarin, indien passend, aanbevelingen zijn opgenomen inzake het aannemen van extra behouds- en beheersmaatregelen ter bevordering van de doelstelling van dit Verdrag; het in overweging nemen van de rapporten van het wetenschappelijk comité; het vervullen van alle andere taken die de Partijen het opdragen. 3. Het raadgevend comité vergadert ten minste eenmaal per jaar gedurende de eerste drie jaren nadat het Verdrag in werking is getreden, en daarna overeenkomstig door de Partijen genomen besluiten. 4. De Partijen kunnen groepen van deskundigen oprichten ter advisering van het raadgevend comité.

Rechtspraak bij dit artikel