**1.** Onverminderd het tweede lid treft elke Partij de nodige wettelijke maatregelen om haar rechtsmacht ten aanzien van de in artikel 15 bedoelde strafbare feiten in de volgende gevallen te vestigen:
wanneer een dergelijk strafbaar feit is gepleegd op het grondgebied van die Staat;
wanneer de vermoedelijke dader een onderdaan is van die Staat;
in geval van strafbare feiten bedoeld in artikel 15, letters a tot en met c, wanneer de vermoedelijke dader zich op het grondgebied van die Staat bevindt.
**2.** Ten aanzien van de uitoefening van rechtsmacht en onverminderd artikel 28 van het Verdrag:
laat dit Protocol de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid de uitoefening van rechtsmacht uit hoofde van mogelijk van toepassing zijnd nationaal en internationaal recht onverlet, en doet het geen afbreuk aan de uitoefening van rechtsmacht uit hoofde van het internationaal gewoonterecht;
kunnen leden van de strijdkrachten en onderdanen van een Staat die geen Partij is bij dit Protocol, behoudens gevallen waarin een Staat die geen Partij is bij dit Protocol de bepalingen ervan, overeenkomstig artikel 3, tweede lid, aanvaardt en toepast, en behoudens ten aanzien van onderdanen die dienen bij de strijdkrachten van een Staat die wel Partij is bij dit Protocol, niet individueel strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld uit hoofde van dit Protocol, noch behelst dit Protocol enige verplichting tot vestiging van rechtsmacht over dergelijke personen of tot hun uitlevering.
HOOFDSTUK 4
Artikel 16
Rechtsmacht
Onderdeel van Tweede Protocol bij het Haags Verdrag van 1954 inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict· Cultureel recht
Deze tekst geldt sinds 30 april 2007