Naar hoofdinhoud
1. Rekening houdend met de verwachtingen van de EIB betreffende het beheer en de verrichtingen van de Investeringsfaciliteit, stelt de Commissie jaarlijks de staat vast van de vastleggingen, de betalingen en het jaarlijkse bedrag van de afroepen van de bijdragen voor het lopende en de volgende twee begrotingsjaren, en zij stelt de Raad hiervan vóór 15 oktober in kennis. Bij deze bedragen wordt uitgegaan van het vermogen om de voorgestelde middelen daadwerkelijk te besteden. 2. Op een voorstel van de Commissie waarin wordt gespecificeerd welk deel voor de Commissie is bestemd en welk deel voor de EIB, stelt de Raad met een overeenkomstig artikel 8 bepaalde gekwalificeerde meerderheid van stemmen het maximum vast voor het jaarlijkse bedrag van de bijdrage voor het tweede jaar volgend op het voorstel van de Commissie (n+2) en, met inachtneming van het maximum van het voorgaande jaar, het jaarlijkse bedrag van het verzoek om een bijdrage voor het eerste jaar volgend op het voorstel van de Commissie (n+1). 3. Als de overeenkomstig lid 2 vastgestelde bijdragen afwijken van de werkelijke behoeften van het EOF gedurende het desbetreffende boekjaar, dient de Commissie bij de Raad voorstellen in tot wijziging van de omvang van de bijdragen, met inachtneming van het in lid 2 bedoelde maximum. De Raad neemt hierover met een overeenkomstig artikel 8 bepaalde gekwalificeerde meerderheid van stemmen een besluit. 4. De verzoeken om een bijdrage mogen het in lid 2 bedoelde maximum niet overschrijden en het maximum mag niet worden verhoogd, behalve wanneer de Raad hiertoe met een overeenkomstig artikel 8 bepaalde gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit in geval van speciale behoeften ten gevolge van uitzonderlijke of niet voorziene omstandigheden zoals situaties na een crisis. De Commissie en de Raad zien er in dit geval op toe dat de bijdragen overeenkomen met de verwachte betalingen. 5. Rekening houdend met de verwachtingen van de EIB deelt de Commissie de Raad jaarlijks vóór 15 oktober haar ramingen van de vastleggingen, betalingen en bijdragen mee voor elk van de drie jaar volgend op de in lid 1 bedoelde jaren. 6. Wat betreft middelen die uit eerdere EOF’s zijn overgebracht naar het tiende EOF overeenkomstig artikel 1, lid 2, onder b, en artikel 1, lid 3, worden de bijdragen van iedere lidstaat berekend naar rato van de bijdrage van elke lidstaat aan het betreffende EOF. Wat betreft middelen van het negende EOF en eerdere EOF’s die niet worden overgeboekt naar het tiende EOF, wordt het effect daarvan op de bijdrage van iedere lidstaat berekend naar rato van de bijdrage van elke lidstaat aan het negende EOF. 7. De wijze van storting van de bijdragen door de lidstaten wordt vastgesteld bij het in artikel 10, lid 2, bedoelde financieel reglement.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel