Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK IV

Artikel 19

Artikel 19

Onderdeel van Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op erfopvolging· Internationaal privaatrecht Inclusief internationaal procesrecht

1. Wanneer een Staat twee of meer gebiedsdelen omvat, waarvan elk zijn eigen rechtsstelsel of zijn eigen rechtsregels ter zake van erfopvolging heeft, dient volgens de bepalingen van dit artikel te worden vastgesteld welk recht ingevolge dit Verdrag van toepassing is. 2. Indien in een dergelijke Staat regels van kracht zijn die bepalen welke van de rechtsstelsels van de twee of meer gebiedsdelen van toepassing zijn in de gevallen welke in dit artikel zijn geregeld,, is het recht van dat gebiedsdeel van toepassing. Bij gebreke van dergelijke regels zijn de volgende leden van dit artikel van toepassing. 3. Wanneer in dit Verdrag of in een overeenkomstig dit Verdrag door de overledene gedane aanwijzing sprake is van een recht van een Staat, wordt met het recht van de Staat waar de overledene op het tijdstip van de aanwijzing of van zijn overlijden zijn gewone verblijfplaats had, bedoeld het recht van het gebiedsdeel van die Staat waar de overledene op het desbetreffende tijdstip zijn gewone verblijfplaats had; wordt met het recht van de Staat waarvan de overledene op het tijdstip van de aanwijzing of van zijn overlijden de nationaliteit bezat, bedoeld het recht van het gebiedsdeel van die Staat waar de overledene op het desbetreffende tijdstip zijn gewone verblijfplaats had, of bij gebreke van een dergelijke gewone verblijfplaats, het recht van het gebiedsdeel waarmee hij de nauwste banden had. 4. Wanneer in dit Verdrag een recht van een Staat wordt genoemd, waarmee de nauwste banden bestonden, wordt bedoeld het recht van het gebiedsdeel van die Staat waarmee de overledene het nauwst verbonden was. 5. Indien de overledene overeenkomstig dit Verdrag, behoudens het bepaalde in artikel 6, het recht van een gebiedsdeel heeft aangewezen van een Staat waarvan hij op het tijdstip van de aanwijzing of van zijn overlijden de nationaliteit bezat, is deze aanwijzing slechts geldig indien hij te eniger tijd zijn gewone verblijfplaats had in dat gebiedsdeel, of bij gebreke van een dergelijke gewone verblijfplaats, nauwe banden met dat gebiedsdeel had; niet de nationaliteit bezat, is deze aanwijzing slechts geldig indien de overledene op dat tijdstip zijn gewone verblijfplaats had in dat gebiedsdeel, of, ingeval hij zijn gewone verblijfplaats niet in dat gebiedsdeel maar wel in die Staat had, indien hij te eniger tijd zijn gewone verblijfplaats in dat gebiedsdeel had. 6. Indien de overledene met toepassing van artikel 6 ten aanzien van sommige goederen het recht van een Staat heeft aangewezen, wordt behoudens bewijs van tegengestelde bedoeling verondersteld dat het recht van elk gebiedsdeel waarin die goederen zich bevinden, is bedoeld. 7. Voor de toepassing van artikel 3, tweede lid, is de vereiste verblijfsduur wanneer de overledene gedurende de vijf jaren die onmiddellijk voorafgingen aan zijn overlijden zijn verblijfplaats in die Staat had, ongeacht of hij gedurende dat tijdvak in meer dan één van de gebiedsdelen van die Staat zijn verblijfplaats heeft gehad. Wanneer de vereiste verblijfsduur is bereikt, en de overledene op dat tijdstip zijn gewone verblijfplaats in die Staat had, maar geen gewone verblijfplaats in een bepaald gebiedsdeel van die Staat, is toepasselijk het recht van het gebiedsdeel waarin de overledene het laatst verbleef, tenzij hij op dat tijdstip nauwere banden had met een ander gebiedsdeel van die Staat, in welk geval het recht van dat laatste gebiedsdeel van toepassing is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel