Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK IV

Artikel 24

Artikel 24

Onderdeel van Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op erfopvolging· Internationaal privaatrecht Inclusief internationaal procesrecht

1. Elke Staat kan op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding het voorbehoud maken: dat hij het Verdrag niet zal toepassen op overeenkomsten inzake erfopvolging als omschreven in artikel 8, en dat hij derhalve een overeenkomstig artikel 5 gedane aanwijzing niet zal erkennen indien de aanwijzing niet is uitgedrukt in een verklaring die voldoet aan de vormvereisten voor een testamentaire beschikking; dat hij artikel 4 niet zal toepassen; dat hij een aanwijzing niet zal erkennen indien deze overeenkomstig artikel 5 is gedaan door een persoon die op het tijdstip van zijn overlijden niet of niet meer de nationaliteit bezat van de Staat waarvan hij het recht had aangewezen of daar niet of niet meer zijn gewone verblijfplaats had, maar op dat tijdstip de nationaliteit bezat van de Staat die het voorbehoud heeft gemaakt en daar zijn gewone verblijfplaats had; dat hij een overeenkomstig artikel 5 gedane aanwijzing niet zal erkennen indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan: het recht van de Staat die het voorbehoud heeft gemaakt zou het krachtens artikel 3 toepasselijke recht zijn geweest indien niet overeenkomstig artikel 5 een geldige aanwijzing was gedaan, de toepassing van het overeenkomstig artikel 5 aangewezen recht zou de echtgenoot of een kind van de overledene geheel of voor een zeer belangrijk deel een toebedeling van erfrechtelijke of familierechtelijke aard ontzeggen waarop de echtgenoot of het kind recht zou hebben gehad op grond van de dwingende bepalingen van het recht van de Staat die het voorbehoud heeft gemaakt, de echtgenoot of het kind heeft zijn gewone verblijfplaats in de Staat die het voorbehoud heeft gemaakt of bezit daarvan de nationaliteit. 2. Geen ander voorbehoud is toegestaan. 3. Elke Verdragsluitende Staat kan te allen tijde een door hem gemaakt voorbehoud intrekken; de werking van het voorbehoud eindigt op de eerste dag van de maand volgend op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na kennisgeving van de intrekking.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel