Het door artikel 6 of 7 aangewezen recht beheerst de geldigheid, de uitlegging en de rechtsgevolgen, alsmede het bestuur over de trust.
Dit recht beheerst met name:
de benoeming, het aftreden en het ontslag van de trustees, de bevoegdheid om als trustee op te treden en de overgang van de functie van trustee;
de onderlinge rechten en plichten van de trustees;
het recht van de trustees om de vervulling van hun verplichtingen of de uitoefening van hun bevoegdheden geheel of gedeeltelijk te delegeren;
de bevoegdheid van de trustees om de trustgoederen te besturen en er over te beschikken, om deze goederen met zekerheidsrechten te bezwaren en om nieuwe goederen te verwerven;
de bevoegdheid van de trustees om het trustvermogen te beleggen;
beperkingen met betrekking tot de duur van de trust en ten aanzien van de bevoegdheid van de trustees de opbrengsten van het trustvermogen te reserveren;
de betrekkingen tussen trustees en begunstigden, met inbegrip van de persoonlijke aansprakelijkheid van de trustees jegens de begunstigden;
de wijziging of beëindiging van de trust;
de verdeling van het trustvermogen;
de verplichting van de trustees van hun bestuur verantwoording af te leggen.
HOOFDSTUK II
Artikel 8
Artikel 8
Onderdeel van Verdrag inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de erkenning van trusts· Financieel en economisch recht
Deze tekst geldt sinds 1 februari 1996