Ten einde vast te stellen of er sprake is van een ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren in de zin van artikel 3, kan de rechterlijke of administratieve autoriteit van de aangezochte Staat rechtstreeks rekening houden met het recht van de Staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft en met de aldaar al dan niet formeel erkende rechterlijke of administratieve beslissingen, zonder dat het nodig is dat de inhoud van dat recht of de erkenning van buitenlandse beslissingen worden vastgesteld in een bijzondere daartoe bestemde procedure, die anders toepasselijk zou zijn.
HOOFDSTUK III
Artikel 14
Artikel 14
Onderdeel van Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen· Internationaal privaatrecht Inclusief internationaal procesrecht
Deze tekst geldt sinds 1 september 1990