Nadat de rechterlijke of administratieve autoriteiten van de Verdragsluitende Staat waarheen het kind ongeoorloofd is overgebracht of waar het ongeoorloofd wordt vastgehouden in de zin van artikel 3, in kennis zijn gesteld van deze overbrenging of dit vasthouden, kunnen zij zich niet eerder over het gezagsrecht ten gronde uitspreken, dan nadat is vastgesteld dat het kind niet dient terug te keren ingevolge dit Verdrag, of dan nadat een redelijke termijn is verstreken en daarin geen verzoek is ingediend om dit Verdrag toe te passen.
HOOFDSTUK III
Artikel 16
Artikel 16
Onderdeel van Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen· Internationaal privaatrecht Inclusief internationaal procesrecht
Deze tekst geldt sinds 1 september 1990