Naar hoofdinhoud
1. In alle gevallen blijven schepen van de Partijen die in elkaars nabijheid opereren ruim van elkaar vrij om het risico van aanvaring te vermijden, behalve wanneer zij op grond van de Zeeaanvaringsbepalingen 1972 koers en vaart moeten behouden. 2. Schepen van een Partij die een formatie van de andere Partij ontmoeten of in de nabijheid daarvan opereren vermijden, de bepalingen van de Zee-aanvaringsbepalingen 1972 nalevend, om zodanig te manoeuvreren dat de bewegingen van de formatie worden gehinderd. 3. Formaties voeren geen manoeuvres uit door drukke scheepvaartgebieden, waar internationaal erkende verkeersscheidingsstelsels van kracht zijn. 4. Schepen van een Partij die een surveillance uitvoeren op schepen van de andere Partij blijven op zodanige afstand dat het gevaar van aanvaring wordt vermeden en vermijden eveneens manoeuvres uit te voeren die de schepen die worden gesurveilleerd hinderen of in gevaar brengen. Behalve wanneer op grond van de bepalingen van de Zeeaanvaringsbepalingen 1972 koers en vaart moet worden behouden, onderneemt een surveillerend schip vroegtijdig duidelijke actie teneinde handelend met goed zeemanschap, schepen die worden gesurveilleerd niet te hinderen of in gevaar te brengen. 5. Wanneer schepen van beide Partijen in zicht van elkaar zijn, worden zodanige seinen (vlag, geluid en licht) als zijn voorgeschreven in de Zee-aanvaringsbepalingen 1972, het Internationaal Seinboek en de Tabel van Speciale Seinen, zoals deze is neergelegd in de bijlage bij deze Overeenkomst, gegeven om operaties en voornemens aan te duiden. 's Nachts of overdag in omstandigheden van beperkt zicht en op afstanden waarop vlaggeseinen niet duidelijk zijn te onderscheiden, behoort de seinlamp of VHF Radiokanaal 16 (156.8 MHZ) te worden gebruikt. 6. Schepen van de Partijen bootsen geen aanvallen na door het richten van kanons, raketlanceerinrichtingen, torpedobuizen en andere wapens op schepen en luchtvaartuigen van de andere Partij; lanceren geen voorwerpen in de richting van schepen van de andere Partij op zodanige wijze dat zulks gevaar voor die schepen of voor de scheepvaart oplevert; gebruiken geen zoeklichten of soortgelijke verlichtingsapparatuur met het doel de navigatiebruggen van schepen en de stuurhutten van zich in de lucht bevindende luchtvaartuigen van de andere Partij te verlichten; gebruiken geen laser op zodanige wijze dat letsel of schade wordt toegebracht aan personeel of apparatuur aan boord van een schip of luchtvaartuig van de andere Partij; vuren geen lichtraketten of andere pyrotechnische middelen af in de richting van schepen en luchtvaartuigen van de andere Partij op een zodanige wijze dat deze schepen of luchtvaartuigen in gevaar worden gebracht. 7. Wanneer oefeningen met onder water bevindende onderzeeboten worden uitgevoerd, tonen begeleidende schepen de toepasselijke seinen die zijn voorgeschreven in het Internationaal Seinboek of in de Tabel van Speciale Seinen zoals deze is neergelegd in de bijlage bij de Overeenkomst, teneinde schepen van de andere Partij te attenderen op de aanwezigheid van onderzeeboten in het gebied. 8. Schepen van een Partij nemen, wanneer zij schepen van de andere Partij, die operaties uitvoeren waarbij deze volgens voorschrift 3 (g) van de Zeeaanvaringsbepalingen 1972 beperkt zijn in hun manoeuvreerbaarheid en speciaal schepen die bezig zijn met het afvliegen of oplanden van luchtvaartuigen alsmede schepen die bezig zijn met het bevoorraden op zee, naderen, tijdig gepaste maatregelen om zeker te stellen dat de manoeuvres van die schepen niet worden gehinderd en blijven ruim vrij.

Rechtspraak bij dit artikel