Naar hoofdinhoud

DEEL I

Artikel 5

Artikel 5

Onderdeel van Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing· Arbitrage

Deze tekst geldt sinds 20 januari 1989

1. Iedere Staat die Partij is, neemt de eventueel noodzakelijke maatregelen tot vestiging van zijn rechtsmacht ten aanzien van de in artikel 4 bedoelde delicten, en wel in de volgende gevallen: wanneer de delicten worden gepleegd binnen een grondgebied onder zijn rechtsmacht of aan boord van een schip of luchtvaartuig dat in die Staat is geregistreerd; wanneer de verdachte onderdaan van die Staat is; wanneer het slachtoffer onderdaan van die Staat is, indien die Staat zulks passend acht. 2. Iedere Staat die Partij is, neemt tevens de eventueel noodzakelijke maatregelen tot vestiging van zijn rechtsmacht ten aanzien van zodanige delicten in de gevallen waarin de verdachte zich bevindt binnen een onder zijn rechtsmacht vallend grondgebied en deze Staat hem niet ingevolge artikel 8 uitlevert aan een van de in het eerste lid van dit artikel genoemde Staten. 3. Dit Verdrag sluit geen enkele strafrechtelijke rechtsmacht uit die wordt uitgeoefend overeenkomstig het nationale recht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel