Naar hoofdinhoud
1. Vooruitlopend op de totstandkoming van de in artikel 1, eerste lid, bedoelde werken wordt de vaart op het kanaal van Terneuzen naar Gent met de in artikel 1, eerste lid, genoemde schepen toegelaten. 2. Tot en met het jaar waarin de in artikel 1, eerste lid, bedoelde werken worden opgeleverd, wordt de jaarlijkse Belgische bijdrage in de onderhouds- en bedieningskosten van het op Nederlands grondgebied gelegen gedeelte van het kanaal van Terneuzen naar Gent, als vastgesteld bij artikel 55 van het Verdrag, verhoogd met een supplementaire bijdrage als een toereikende afdekking van het extra financiële risico dat bestaat voor Nederland in de situatie dat de vaart van schepen met afmetingen tussen 245 m lengte, 33 m breedte en 12,25 m diepgang en 256 m lengte, 34 m breedte en 12,25 m diepgang wordt toegelaten, vooruitlopend op de voltooiing van de in artikel 1, eerste lid, bedoelde werken en voorzieningen. 3. Het bedrag van de in lid 2 bedoelde supplementaire bijdrage wordt in overleg tussen de genoemde Ministers jaarlijks vastgesteld met inachtneming van de voortgang van de uitvoering van de in artikel 1, eerste lid, bedoelde werken en voorzieningen. 4. De Belgische Regering betaalt de in het tweede en derde lid bedoelde jaarlijkse supplementaire bijdrage telkens binnen twee maanden na ontvangst van een daartoe door de Nederlandse Regering gedaan verzoek. Bij overschrijding van deze termijn betaalt de Belgische Regering voor de duur van de overschrijding de wettelijke rente naar Nederlands recht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel