Naar hoofdinhoud

Artikel III

Artikel III

Onderdeel van Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Democratische Volksrepubliek Algerije betreffende de luchtvaart· Arbitrage

Deze tekst geldt sinds 26 november 1992

1. Elke Overeenkomstsluitende Partij heeft het recht om door middel van een schriftelijke kennisgeving een luchtvaartmaatschappij aan te wijzen voor de exploitatie van de overeengekomen diensten. 2. De Overeenkomstsluitende Partij die de kennisgeving van aanwijzing heeft ontvangen, verleent onverwijld, en onverminderd het bepaalde in het derde en vierde lid van dit artikel, aan de door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen maatschappij de passende exploitatievergunning. 3. De luchtvaartautoriteiten van een van de Overeenkomstsluitende Partijen kunnen verlangen dat de door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij het bewijs levert, dat zij in staat is te voldoen aan de voorwaarden welke op het gebied van de exploitatie van de internationale luchtdiensten worden voorgeschreven door de wetten en voorschriften die gewoonlijk en redelijkerwijze, overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag, door de genoemde autoriteiten worden toegepast. 4. Elke Overeenkomstsluitende Partij heeft het recht de exploitatievergunning, bedoeld in het tweede lid van dit artikel, niet te verlenen of de voorwaarden te stellen die haar noodzakelijk mochten lijken voor de uitoefening door de aangewezen maatschappij van de rechten genoemd in artikel II van deze Overeenkomst, indien bedoelde Overeenkomstsluitende Partij er niet van overtuigd is dat een aanzienlijk deel van de eigendom van en het daadwerkelijk toezicht op die maatschappij berusten bij de Overeenkomstsluitende Partij die de maatschappij heeft aangewezen of bij onderdanen van deze Overeenkomstsluitende Partij, dan wel bij beide.

Rechtspraak bij dit artikel