Naar hoofdinhoud
Bewijzen van luchtwaardigheid, bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die zijn afgegeven of geldig verklaard door de ene Overeenkomstsluitende Partij en die nog van kracht zijn, worden door de andere Overeenkomstsluitende Partij als geldig erkend ten behoeve van de exploitatie van de overeengekomen diensten op de omschreven routes, mits deze bewijzen of vergunningen werden afgegeven of geldig verklaard in overeenstemming met de op grond van het Verdrag vastgestelde normen. Elke Overeenkomstsluitende Partij behoudt zich echter het recht voor, de erkenning van bewijzen van bevoegdheid en van vergunningen die door de andere Overeenkomstsluitende Partij aan haar eigen onderdanen zijn afgegeven, te weigeren voor vluchten boven haar eigen grondgebied. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Overeenkomst van 30 november 2007 zal, wanneer in deze overeenkomst, met bijlage, wordt verwezen naar onderdanen van het Koninkrijk der Nederlanden, dit worden begrepen als een verwijzing naar onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie (Trb. 2019/87). Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Overeenkomst van 30 november 2007 vormen de bepalingen van artikel 3, tweede lid, van de Overeenkomst van 30 november 2007 een aanvulling op de desbetreffende bepalingen van dit artikel (Trb. 2019/87).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel