**1.** Elke Staat-Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om zijn rechtsmacht vast te leggen met betrekking tot de in artikel 3 genoemde strafbare feiten, wanneer het strafbare feit wordt gepleegd:
tegen of aan boord van een schip dat onder de vlag van die Staat vaart op het tijdstip waarop het strafbare feit wordt gepleegd; of
op het grondgebied van die Staat, met inbegrip van zijn territoriale zee; of
door een onderdaan van die Staat.
**2.** Een Staat-Partij kan eveneens zijn rechtsmacht met betrekking tot genoemde strafbare feiten vastleggen, wanneer:
het feit wordt gepleegd door een staatloze die in die Staat zijn gewone verblijfplaats heeft; of
tijdens het plegen van het feit een onderdaan van die Staat wordt vastgehouden, bedreigd, verwond of gedood; of
het feit wordt gepleegd in een poging die Staat te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling.
**3.** Elke Staat-Partij die de in het tweede lid bedoelde rechtsmacht heeft vastgesteld, stelt de Secretaris-Generaal van de Internationale Maritieme Organisatie (hierna te noemen „de Secretaris-Generaal”) daarvan in kennis. Indien een Staat-Partij daarna deze wetgeving intrekt, stelt hij de Secretaris-Generaal daarvan in kennis.
**4.** Elke Staat-Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om zijn rechtsmacht vast te leggen met betrekking tot de in artikel 3 genoemde strafbare feiten ingeval de vermoedelijke dader zich op zijn grondgebied bevindt en hij deze niet uitlevert aan een Staat-Partij die zijn rechtsmacht heeft vastgelegd in overeenstemming met het eerste en het tweede lid van dit artikel.
**5.** Dit Verdrag sluit geen enkele in overeenstemming met de nationale wetgeving uitgeoefende rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden uit.
Artikel 6
Artikel 6
Onderdeel van Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart· Arbitrage
Deze tekst geldt sinds 3 juni 1992