Naar hoofdinhoud
1. In iedere instelling dient elke hond of kat, voordat hij wordt gespeend, individueel en permanent van een merkteken te worden voorzien op de minst pijnlijke wijze die mogelijk is. 2. Wanneer een niet-gemerkte hond of kat voor de eerste maal een instelling binnenkomt na te zijn gespeend, wordt hij zo spoedig mogelijk van een merkteken voorzien. 3. Wanneer een niet gespeende hond of kat, waarbij het niet mogelijk was hem voordien te merken, wordt overgebracht van de ene instelling naar de andere, dient een compleet registratie document te worden bijgehouden, waarin met name de identiteit van zijn moeder wordt gespecificeerd, totdat hij van een merkteken is voorzien. 4. De bijzonderheden van de identiteit en van de herkomst van elke hond of kat dienen vermeld te worden in de registers van de instelling.

Rechtspraak bij dit artikel