**1.** De luchtvaartautoriteiten van elke Partij hebben het recht de in artikel 3 vermelde vergunningen aan een door de andere Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij te weigeren, deze in te trekken, te schorsen of er, tijdelijk of blijvend, voorwaarden aan te verbinden:
indien de luchtvaartmaatschappij in gebreke blijft te hunnen genoegen aan te tonen dat zij in staat is te voldoen aan de voorwaarden opgelegd door de wetten en voorschriften welke die autoriteiten, in overeenstemming met het Verdrag, gewoonlijk en redelijkerwijs toepassen op de exploitatie van internationale luchtdiensten;
indien de luchtvaartmaatschappij in gebreke blijft de exploitatie uit te oefenen in overeenstemming met de in deze Overeenkomst gestelde voorwaarden;
indien de luchtvaartmaatschappij in gebreke blijft de wetten en voorschriften van die Partij na te leven;
indien niet te hunnen genoegen is aangetoond dat een aanmerkelijk deel van de eigendom en het daadwerkelijk toezicht op de luchtvaartmaatschappij berusten bij de Partij die de luchtvaartmaatschappij aanwijst, bij haar onderdanen of beide.
**2.** De in het eerste lid van dit artikel genoemde rechten worden slechts uitgeoefend na overleg met de luchtvaartautoriteiten van de andere Partij overeenkomstig artikel 14 van deze Overeenkomst, tenzij onmiddellijk optreden noodzakelijk is teneinde inbreuk op bovengenoemde wetten en voorschriften te voorkomen.
Artikel 4
Intrekking of schorsing van een exploitatievergunning
Onderdeel van Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk België inzake luchtvervoer tussen Aruba en België· Arbitrage
Deze tekst geldt sinds 1 november 1995