Naar hoofdinhoud
1.. Een gevonniste persoon kan overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, slechts onder de navolgende voorwaarden worden overgebracht: indien zowel de Staat van veroordeling als de Staat van tenuitvoerlegging wetgeving heeft met betrekking tot de overbrenging van gevonniste personen; wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden, indien die persoon een onderdaan is en wat betreft de Republiek Zambia, indien die persoon een onderdaan is van de Republiek Zambia, er zijn gewone of vaste verblijfplaats heeft, of nauwe banden met de Republiek Zambia heeft; indien het vonnis voor tenuitvoerlegging vatbaar is; indien de gevonniste persoon, op het tijdstip van ontvangst van het verzoek om overbrenging, nog ten minste zes maanden van de veroordeling moet ondergaan; indien het handelen of nalaten op grond waarvan de veroordeling werd uitgesproken een strafbaar feit oplevert naar het recht van de Staat van tenuitvoerlegging of een strafbaar feit zou opleveren, indien dit op zijn grondgebied zou zijn gepleegd; indien door de gevonniste persoon of, wanneer gelet op zijn leeftijd of lichamelijke of geestelijke toestand, een der beide Staten dit noodzakelijk acht, door zijn wettelijke vertegenwoordiger, met de overbrenging wordt ingestemd; en indien de Staat van veroordeling en de Staat van tenuitvoerlegging instemmen met de overbrenging. 2.. In uitzonderingsgevallen kunnen de Staat van veroordeling en de Staat van tenuitvoerlegging zich akkoord verklaren met een overbrenging, zelfs wanneer de duur van het alsnog door de gevonniste persoon te ondergane gedeelte van de veroordeling minder is dan dat vermeld in het eerste lid, onderdeel d.

Rechtspraak bij dit artikel