Naar hoofdinhoud

DEEL DERDE

Artikel 15

Bevoegdheid ter zake van inbreuk en geldigheid

Onderdeel van Protocol inzake een eventuele wijziging van de voorwaarden voor de inwerkingtreding van het Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien· Intellectuele eigendom

1. De Gemeenschapsoctrooirechtbanken van eerste aanleg hebben uitsluitende bevoegdheid ter zake van: alle rechtsvorderingen betreffende inbreuk en - indien naar nationaal recht toegestaan - dreigende inbreuk op Gemeenschapsoctrooien; rechtsvorderingen betreffende de vaststelling van niet-inbreuk, indien naar nationaal recht toegestaan; alle rechtsvorderingen ter zake van het gebruik dat van de uitvinding is gemaakt gedurende de in artikel 32, eerste lid, van het Gemeenschapsoctrooiverdrag bedoelde periode; tegenvorderingen tot nietigverklaring van het Gemeenschapsoctrooi op grond van het tweede lid. 2. De Gemeenschapsoctrooirechtbanken van eerste aanleg beschouwen het Gemeenschapsoctrooi als geldig tenzij de geldigheid door de verweerder wordt betwist met een tegenvordering tot nietigverklaring van het Gemeenschapsoctrooi. De tegenvordering kan slechts steunen op de in artikel 56, eerste lid, van het Gemeenschapsoctrooiverdrag genoemde nietigheidsgronden. Artikel 55, eerste lid, tweede zin, en artikel 55, tweede, derde en zesde lid, van het Gemeenschapsoctrooiverdrag zijn van toepassing. 3. Indien de tegenvordering wordt ingesteld in een procedure waarin de octrooihouder nog geen partij is, wordt hij daarvan op de hoogte gesteld en kan hij zich in het geding voegen overeenkomstig het nationale recht. 4. De geldigheid van een Gemeenschapsoctrooi kan niet worden betwist door een rechtsvordering tot vaststelling van niet-inbreuk.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel