Naar hoofdinhoud

DEEL II › Titel A

Artikel 10

Vaststelling van het recht op Nieuw-Zeelandse uitkeringen

Onderdeel van Overeenkomst inzake sociale zekerheid tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Nieuw-Zeeland· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 februari 1992

1. Bij de vaststelling van het recht op een Nieuw-Zeelandse weduwen- of invaliditeitsuitkering, of een uitkering aan weduwnaars voor huishoudelijke doeleinden, ten aanzien van een persoon die gewoonlijk in Nieuw-Zeeland woont, wordt een tijdvak van wonen en/of verzekering in Nederland in aanmerking genomen als tijdvak van wonen in Nieuw-Zeeland ter vaststelling van de in Nieuw-Zeelandse wetten aangegeven vereisten met betrekking tot wonen. 2. Bij de vaststelling van het recht op een Nieuw-Zeelandse weduwenuitkering, of een uitkering aan weduwnaars voor huishoudelijke doeleinden, ten aanzien van een persoon die gewoonlijk in Nieuw-Zeeland woont, wordt een afhankelijk kind van die persoon dat is geboren in Nederland, geacht te zijn geboren in Nieuw-Zeeland. Voor de toepassing van dit lid wordt onder „afhankelijk kind” verstaan een kind waarvoor een Nieuw-Zeelandse gezinsuitkering dient te worden uitbetaald aan de aanvrager.

Rechtspraak bij dit artikel