Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
„bevoegde autoriteit’’, het overheidsorgaan van elke Staat dat verantwoordelijk is voor het toezicht op het voldoen door ondernemingen aan de voorraadverplichting;
„voorraden’’, voorraden ruwe aardolie of aardolieproducten (met inbegrip van halffabrikaten en eindproducten) waarop de Richtlijn van toepassing is;
„voorraadverplichting’’, wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden de totale hoeveelheid voorraad die uit hoofde van de nationale wetgeving moet worden aangehouden en wat betreft het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland de totale hoeveelheid voorraad die uit hoofde van de Richtlijn moet worden aangehouden;
„crisis in de voorziening’’, hetzelfde als in artikel 6, tweede lid, van de Richtlijn wordt verstaan;
„grondgebied’’, het binnen de Europese Unie gelegen grondgebied waarover elke Staat rechtsmacht uitoefent;
„onderneming’’, een onderneming, instantie of entiteit gevestigd op het grondgebied van een Staat die voorraden aanhoudt ten behoeve van het vergemakkelijken van de nakoming (door die onderneming of een derde) van de wetgeving inzake de verplichting tot het aanhouden van voorraden aardolieproducten van die of de andere Staat.
Artikel 1
Artikel 1
Onderdeel van Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake het wederzijds aanhouden van voorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten· Agrarisch recht
Deze tekst geldt sinds 1 juni 2008