Naar hoofdinhoud
1. Iedere Partij neemt op verzoek van de andere Partij, zonder andere formaliteiten dan die welke in deze Overeenkomst zijn genoemd, de persoon op haar grondgebied terug die niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van de verzoekende Partij, wanneer kan worden aangetoond of op basis van een begin van bewijs aannemelijk kan worden gemaakt dat hij de nationaliteit van de aangezochte Partij heeft. 2. De terugnameplicht uit lid 1 geldt ook voor de persoon die na binnenkomst op het grondgebied van de verzoekende Partij de nationaliteit van de aangezochte Partij heeft verloren, tenzij die persoon tenminste een naturalisatietoezegging van de verzoekende Partij heeft ontvangen. 3. Op verzoek van de verzoekende Partij, en conform de bepalingen van artikel 7, lid 5, verstrekt de aangezochte Partij binnen een termijn van drie werkdagen na de datum van ontvangst van het verzoek de met het oog op de teruggeleiding van de terug te nemen personen vereiste reisdocumenten. 4. De verzoekende Partij neemt deze persoon onder dezelfde voorwaarden terug, indien uit een later onderzoek blijkt dat hij op het moment van het verlaten van het grondgebied van de verzoekende Partij niet de nationaliteit van de aangezochte Partij had, tenzij de terugnameplicht volgt uit lid 2.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel