Naar hoofdinhoud

Artikel 7

Artikel 7

Onderdeel van Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de binnenvaart· Arbitrage

Deze tekst geldt sinds 1 april 2007

1. De schepen, de bemanning, de passagiers en de lading zijn in de andere Overeenkomstsluitende Staat onderworpen aan het aldaar geldende recht. 2. In gevallen waarop de desbetreffende bepalingen van de Europese Unie niet van toepassing zijn, zullen de bevoegde autoriteiten voor de scheepvaart op waterwegen als bedoeld in artikel 3 – uitgezonderd de Rijn en de Donau – de in de andere Overeenkomstsluitende Staat verstrekte documenten en attesten die op het schip, de leiding van het schip en de bemanning, alsmede de lading betrekking hebben erkennen, voor zover deze overeenstemmen met de in de andere Overeenkomstsluitende Staat geldende bepalingen. Onafhankelijk daarvan worden voor de Nederlandse waterwegen de voor de scheepvaart op de Rijn afgegeven documenten en attesten en voor de Oostenrijkse waterwegen de voor de scheepvaart op de Donau afgegeven documenten en attesten erkend. 3. Voor de scheepvaart op de Donau gelden de voor de scheepvaart op de Rijn afgegeven documenten en attesten die betrekking hebben op het schip en de lading; de voor de scheepvaart op de Rijn afgegeven documenten en attesten die betrekking hebben op de leiding van het schip worden door de Oostenrijkse autoriteiten erkend, voor zover een adequate ervaring in de scheepvaart op het Oostenrijkse deel van de Donau wordt aangetoond. 4. Gevaarlijke stoffen mogen door schepen uitsluitend worden vervoerd, indien zij hiervoor het voor de desbetreffende waterweg voorziene certificaat van toestemming bezitten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel