Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Uitwisseling van inlichtingen op verzoek

Onderdeel van Verdrag tot uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingen tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van de Nederlandse Antillen, en het Koninkrijk Spanje· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 27 januari 2010

1. De bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij verstrekt op verzoek de inlichtingen ten behoeve van de in artikel 1 bedoelde doeleinden. Dergelijke inlichtingen worden uitgewisseld ongeacht of de onderzochte gedragingen, indien deze in de aangezochte Partij zouden plaatsvinden, uit hoofde van de wetgeving van de aangezochte Partij als misdrijf zouden worden aangemerkt. 2. Indien de inlichtingen in het bezit van de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij niet toereikend zijn om aan het verzoek om inlichtingen te voldoen, treft die Partij alle toepasselijke maatregelen ten behoeve van het verzamelen van inlichtingen teneinde de verzoekende Partij de verlangde inlichtingen te verstrekken, ongeacht het feit dat de aangezochte Partij ten behoeve van haar eigen belastingheffing niet over dergelijke inlichtingen hoeft te beschikken. 3. Indien de bevoegde autoriteit van een verzoekende Partij daar specifiek om verzoekt, is de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij gehouden uit hoofde van dit artikel inlichtingen te verstrekken, voor zover zulks is toegestaan in overeenstemming met haar nationale wetgeving, in de vorm van getuigenverklaringen en gewaarmerkte afschriften van originele stukken. 4. Elke Verdragsluitende Partij waarborgt dat haar bevoegde autoriteiten ten behoeve van de in artikel 1 van het Verdrag omschreven doelstellingen, over de bevoegdheid beschikken het navolgende te verkrijgen en te verstrekken: inlichtingen die berusten bij banken, overige financiële instellingen, of personen die bij wijze van vertegenwoordiging of als vertrouwenspersoon optreden, met inbegrip van gevolmachtigden en trustees; inlichtingen met betrekking tot de eigendom van lichamen, vennootschappen, trusts, stichtingen, „Anstalten” en andere rechtspersonen, met inbegrip van, binnen de beperkingen van artikel 2, inlichtingen inzake de eigendom met betrekking tot al deze rechtspersonen binnen een eigendomsketen; in het geval van trusts, inlichtingen met betrekking tot instellers, trustees en begunstigden; en in het geval van stichtingen, inlichtingen met betrekking tot stichters, leden van het bestuur en begunstigden. Dit Verdrag schept daarnaast geen verplichting voor de Verdragsluitende Partijen inlichtingen inzake de eigendom te verkrijgen of te verstrekken met betrekking tot beursgenoteerde lichamen of openbare collectieve beleggingsfondsen of openbare collectieve beleggingsregelingen tenzij deze inlichtingen kunnen worden verkregen zonder tot onevenredige moeilijkheden te leiden. 5. De bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij verstrekt de volgende inlichtingen aan de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij wanneer de eerstgenoemde Partij uit hoofde van het Verdrag een verzoek om inlichtingen doet, teneinde aan te tonen dat deze naar verwachting van belang zullen zijn voor het verzoek: de identiteit van de persoon op wie de controle of het onderzoek betrekking heeft; een verklaring omtrent de verlangde inlichtingen met inbegrip van de aard ervan en de vorm waarin de verzoekende Partij de inlichtingen van de aangezochte Partij wenst te ontvangen; het fiscale doel waarvoor om inlichtingen wordt verzocht; de redenen om te veronderstellen dat de gevraagde inlichtingen in de aangezochte Partij of in het bezit of onder de macht zijn van een persoon die zich in het rechtsgebied van de aangezochte Partij bevindt; de namen en adresgegevens, voorzover bekend, van personen waarvan verondersteld wordt dat zij in het bezit zijn van de verzochte inlichtingen; een verklaring dat het verzoek in overeenstemming is met de wetgeving en de administratieve praktijk van de verzoekende Partij, dat indien de gevraagde inlichtingen zich in het rechtsgebied van de verzoekende Partij zouden bevinden, de bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij deze inlichtingen volgens de wetten van de verzoekende Partij of volgens de normale gang van zaken in de administratieve praktijk zou kunnen verkrijgen, en dat het verzoek in overeenstemming is met dit Verdrag; een verklaring dat de verzoekende Partij op haar eigen grondgebied alles in het werk heeft gesteld om de inlichtingen te verkrijgen, tenzij dit zou leiden tot onevenredige moeilijkheden. Het belang dat de verzochte inlichtingen naar verwachting zullen hebben wordt aangetoond indien het verzoek van de verzoekende Partij voldoet aan de bovengenoemde voorwaarden. 6. De bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij doet de gevraagde inlichtingen zo spoedig mogelijk toekomen aan de verzoekende Partij. Teneinde een snel antwoord te waarborgen: bevestigt de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij de ontvangst van een verzoek schriftelijk aan de bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij en stelt zij de bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij binnen 60 dagen na ontvangst van het verzoek in kennis van eventuele gebreken in het verzoek; en indien de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij niet in staat is de inlichtingen binnen 90 dagen na ontvangst van het verzoek te verkrijgen en te verstrekken, onder meer omdat zij belemmeringen ondervindt bij het verstrekken van de inlichtingen dan wel weigert de inlichtingen te verstrekken, stelt zij de verzoekende Partij daarvan onverwijld op de hoogte, onder vermelding van de oorzaken van de onmogelijkheid, de aard van de belemmeringen of de redenen voor haar weigering. Ingeval de aangezochte Partij binnen zes maanden na de ontvangst van het verzoek geen inlichtingen heeft verstrekt, informeert zij de verzoekende Partij over de voortgang bij het verkrijgen van de verzochte inlichtingen en over de termijn waarop naar alle verwachting aan het verzoek kan worden voldaan. Indien de aangezochte Partij niet in staat is aan het verzoek te voldoen, stelt zij de verzoekende Partij daarvan op de hoogte, onder vermelding van de oorzaken van de onmogelijkheid. De verzoekende Partij beslist vervolgens of zij haar verzoek al dan niet zal intrekken. Indien zij besluit haar verzoek niet in te trekken, bespreken de Partijen informeel en rechtstreeks overeenkomstig de regeling voor onderling overleg of op andere wijze, de mogelijkheden om het doel van het verzoek te verwezenlijken en overleggen zij met elkaar op welke wijze dat doel kan worden bereikt. De in dit artikel genoemde termijnen tasten op geen enkele wijze de geldigheid en de rechtmatigheid van de uit hoofde van dit Verdrag uitgewisselde inlichtingen aan. 7. De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen kunnen in wederzijds overleg overeenkomen op welke wijze de verzoeken om inlichtingen dienen te worden ingediend bij de aangezochte Partij.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel