Naar hoofdinhoud
1. Binnen een door de Voorzitter van de Kamer te bepalen termijn dient de Organisatie bij de griffie van het Hof een memorie van antwoord in naar aanleiding van het inleidende verzoekschrift. 2. Deze memorie gaat vergezeld van alle bij de Organisatie berustende stukken, die voor de kennisneming van de zaak van nut kunnen zijn. Met name dienen de stukken en het advies van de Raadgevende Commissie, alsmede het besluit op het interne beroep bij deze memorie te worden gevoegd. 3. De Voorzitter van de Kamer kan partijen bevelen ter griffie van het Hof aanvullende geschriften en documenten te deponeren.

Rechtspraak bij dit artikel