Naar hoofdinhoud
1. Voorraden mogen niet uit hoofde van artikel 2 van dit Verdrag worden aanvaard als zijnde voorraden waarop dit Verdrag van toepassing is, tenzij: de onderneming die de voorraden wenst aan te houden buiten de Verdragsluitende Partij waar zij gevestigd is („de eerste onderneming”) de bevoegde autoriteit van die Verdragsluitende Partij uiterlijk vijftien werkdagen voor aanvang van de periode waarop de aanvaarding betrekking heeft, voorziet van de volgende gegevens: haar naam en adres en de naam en het adres van de onderneming die gevestigd is op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waar de voorraden zullen worden aangehouden („de tweede onderneming”), en die namens haar de voorraden zal aanhouden; de aard en hoeveelheid van de voorraden; de locatie van de opslagruimte(n) waar de voorraden zullen worden aangehouden; de termijn gedurende welke de voorraden zullen worden aangehouden; desgevraagd de bepalingen van enige overeenkomst houdende dat de voorraden namens de eerste onderneming door de tweede onderneming worden aangehouden; en zowel de eerste als de tweede onderneming ermee instemt dat de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de voorraden zullen worden aangehouden de bevoegde autoriteit van de andere Verdragsluitende Partij in kennis stelt van enige inlichtingen verkregen ten behoeve van de implementatie van dit Verdrag. 2. Wanneer een onderneming buiten het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waar zij gevestigd is voorraden wenst aan te houden die geen eigendom zullen zijn van die onderneming (de „begunstigde onderneming”), maar die ter beschikking zullen worden gehouden van die onderneming door een andere onderneming (de „verschaffende onderneming”), mogen, in aanvulling op de bepalingen van het eerste lid van dit artikel, voorraden die op deze wijze zullen worden aangehouden, niet uit hoofde van artikel 2 van dit Verdrag worden aanvaard als zijnde voorraden waarop dit Verdrag van toepassing is, tenzij de begunstigde onderneming de bevoegde autoriteit gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat: de voorraden zullen worden aangehouden uit hoofde van een schriftelijke overeenkomst tussen de begunstigde onderneming en de verschaffende onderneming („de overeenkomst”) die van kracht blijft gedurende de periode waarop de aanvaarding betrekking heeft; de begunstigde onderneming contractueel het recht heeft deze voorraden gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst te verwerven en de wijze waarop de prijs van een dergelijke aankoop wordt bepaald, in de overeenkomst is vastgelegd; de daadwerkelijke beschikbaarheid van de voorraden voor de begunstigde onderneming gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst te allen tijde gewaarborgd is, en de verschaffende onderneming een onderneming is die valt onder de rechtsmacht van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de voorraden worden aangehouden voor zover het de wettelijke bevoegdheid van de Verdragsluitende Partij om het bestaan van de voorraden te controleren en te verifiëren betreft. 3. Wanneer de bevoegde autoriteit van een Verdragsluitende Partij („de eerste bevoegde autoriteit”) voorzien is van de in het eerste lid, onderdeel a, en in het tweede lid van dit artikel genoemde gegevens, of van wijzigingen daarin, en de desbetreffende voorraden aanvaardt als voorraden waarop dit Verdrag van toepassing is, zendt deze autoriteit uiterlijk tien werkdagen voor aanvang van de periode waarop de aanvaarding betrekking heeft, de gegevens naar de bevoegde autoriteit van de andere Verdragsluitende Partij („de tweede bevoegde autoriteit”) en stelt deze op de hoogte van de aanvaarding. 4. De tweede bevoegde autoriteit zal, uiterlijk vijf werkdagen voor aanvang van de periode waarop de aanvaarding betrekking heeft, binnen de grenzen van het redelijke alles in het werk stellen om de eerste bevoegde autoriteit ervan in kennis te stellen of zij de desbetreffende voorraden al dan niet aanvaardt als voorraden waarop dit Verdrag van toepassing is. In het geval dat de eerste bevoegde autoriteit voor de bovengenoemde datum geen kennisgeving heeft ontvangen, wordt de tweede bevoegde autoriteit geacht de desbetreffende voorraden niet te hebben aanvaard als voorraden waarop dit Verdrag van toepassing is. 5. Aanvaarding uit hoofde van het derde en vierde lid van dit artikel kan door elk van de bevoegde autoriteiten worden ingetrokken indien er een onjuistheid wordt geconstateerd in de gegevens die met betrekking tot die aanvaarding zijn verstrekt uit hoofde van het eerste lid, onderdeel a, of het tweede lid van dit artikel, of indien er een wezenlijke verandering is opgetreden met betrekking tot de zaken waarop deze gegevens betrekking hebben. Alvorens een aanvaarding in te trekken uit hoofde van deze bepaling stelt de desbetreffende bevoegde autoriteit de bevoegde autoriteit van de andere Verdragsluitende Partij hiervan in kennis en biedt zij de onderneming die de gegevens heeft verstrekt in redelijke mate de gelegenheid bezwaar te maken.

Rechtspraak bij dit artikel