Naar hoofdinhoud
1. Het bepaalde in artikel 4, eerste lid, en artikel 5, is niet van toepassing wanneer het noodzakelijk is voor de veiligheid van mensenlevens of voor de veiligheid van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee in geval van overmacht ten gevolge van noodweer of in alle andere gevallen waarin mensenlevens in gevaar zijn of een ernstige bedreiging bestaat voor schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee, mits het ernaar uitziet dat het storten in of verbranden op zee de enige oplossing is om de dreiging af te wenden en hierdoor naar alle waarschijnlijkheid de minste schade wordt veroorzaakt. Het storten of verbranden moet dan zodanig geschieden dat de gevaren voor het menselijk leven en voor de in zee voorkomende flora en fauna tot een minimum beperkt blijven. De Organisatie dient onverwijld van het storten of verbranden in kennis te worden gesteld. 2. Een verdragsluitende partij mag, in afwijking van artikel 4, eerste lid, en artikel 5, een vergunning verlenen in noodgevallen die voor de menselijke gezondheid, veiligheid of voor het mariene milieu onaanvaardbare risico’s met zich brengen en waarvoor geen andere geschikte oplossing mogelijk is. Alvorens hiertoe over te gaan, raadpleegt de verdragsluitende partij ieder ander land of alle andere landen die erbij betrokken zouden kunnen zijn, alsmede de Organisatie die, na de andere verdragsluitende partijen en de daarvoor in aanmerking komende bevoegde internationale organisaties te hebben geraadpleegd, overeenkomstig artikel 18, zesde lid, de verdragsluitende partij zo spoedig mogelijk aanbevelingen doen omtrent de te volgen werkwijzen die het meest geschikt zijn. De verdragsluitende partij volgt deze aanbevelingen zoveel mogelijk op, binnen de tijd waarin de nodige maatregelen moeten worden genomen, en rekening houdend met de algemene verplichting het veroorzaken van schade aan het mariene milieu te vermijden; zij stelt de Organisatie in kennis van de door haar genomen maatregelen. De verdragsluitende partijen verbinden zich ertoe elkaar in dergelijke situaties onderling bijstand te verlenen. 3. Iedere verdragsluitende partij kan bij de bekrachtiging van of de toetreding tot dit Protocol, of daarna, van haar in het tweede lid bedoelde rechten afzien.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel