Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Internationale samenwerking en bijstand

Onderdeel van Verdrag inzake clustermunitie· Staats- en bestuursrecht

Deze tekst geldt sinds 1 augustus 2011

1. Bij de nakoming van zijn verplichtingen ingevolge dit Verdrag heeft elke Staat die Partij is het recht bijstand te vragen en te ontvangen. 2. Elke Staat die Partij is en daartoe in staat is, verleent technische, materiële en financiële bijstand aan de Staten die Partij zijn die zijn getroffen door clustermunitie, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag. Deze bijstand kan onder meer worden verleend via organen van de Verenigde Naties, internationale, regionale of nationale organisaties of instellingen, niet-gouvernementele organisaties of instellingen, of op bilaterale basis. 3. Elke Staat die Partij is verplicht zich ertoe een zo ruim mogelijke uitwisseling van uitrusting en wetenschappelijke en technologische informatie inzake de toepassing van dit Verdrag te bevorderen en heeft het recht te participeren in een dergelijke uitwisseling. De Staten die Partij zijn leggen geen onredelijke beperkingen op inzake het leveren en ontvangen van uitrusting voor het ruimen en andere soortgelijke uitrusting en daarmee verband houdende technologische informatie voor humanitaire doeleinden. 4. In aanvulling op de mogelijke verplichtingen uit hoofde van het vierde lid van artikel 4 van dit Verdrag, verleent elke Staat die Partij is en daartoe in staat is bijstand bij het ruimen en vernietigen van resten van clustermunitie en informatie inzake diverse middelen en technieken voor het ruimen van clustermunitie, alsmede lijsten van deskundigen, gespecialiseerde organisaties of nationale contactpunten inzake het ruimen en vernietigen van resten van clustermunitie en daarmee verband houdende activiteiten. 5. Elke Staat die Partij is en daartoe in staat is, verleent bijstand ten behoeve van de vernietiging van voorraden clustermunitie en verleent tevens bijstand bij het identificeren en vaststellen van en prioriteiten toekennen aan behoeften en praktische maatregelen op het gebied van markering, voorlichting op het gebied van risicobeperking, burgerbescherming en ruiming en vernietiging als voorzien in artikel 4 van dit Verdrag. 6. Wanneer, na de inwerkingtreding van dit Verdrag, clustermunitie resten van clustermunitie is geworden in gebieden die onder de rechtsmacht of zeggenschap vallen van een Staat die Partij is, verleent elke Staat die Partij is en daartoe in staat is onmiddellijk noodhulp aan de getroffen Staat die Partij is. 7. Elke Staat die Partij is en daartoe in staat is, verleent bijstand bij de tenuitvoerlegging van de in artikel 5 van dit Verdrag bedoelde verplichtingen inzake het op adequate wijze verlenen van op leeftijd en geslacht toegesneden hulp, met inbegrip van medische verzorging, revalidatie en psychologische ondersteuning, en het zorg dragen voor de maatschappelijke en economische integratie van slachtoffers van clustermunitie. Deze bijstand kan onder meer worden verleend via organen van de Verenigde Naties, internationale, regionale of nationale organisaties of instellingen, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, nationale afdelingen van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan of de internationale federatie van deze organisaties, niet-gouvernementele organisaties, of op bilaterale basis. 8. Elke Staat die Partij is en daartoe in staat is, verleent bijstand teneinde bij te dragen aan het economisch en maatschappelijk herstel dat nodig is als gevolg van het gebruik van clustermunitie in de getroffen Staten die Partij zijn. 9. Elke Staat die Partij is en daartoe in staat is, kan bijdragen aan relevante trustfondsen teneinde het verlenen van bijstand uit hoofde van dit artikel te vergemakkelijken. 10. Elke Staat die Partij is en bijstand vraagt en ontvangt, neemt alle passende maatregelen om de tijdige en doeltreffende uitvoering van dit Verdrag te vergemakkelijken, met inbegrip van het vergemakkelijken van de binnenkomst en het vertrek van personeel, materieel en uitrusting, op een wijze die in overeenstemming is met de nationale wet- en regelgeving, rekening houdend met internationale best practices. 11. Elke Staat die Partij is kan, met het oog op het uitwerken van een nationaal actieplan, een verzoek richten tot de organen van de Verenigde Naties, regionale organisaties, andere Staten die Partij zijn of andere deskundige intergouvernementele of niet-gouvernementele instellingen om zijn autoriteiten bij te staan bij het vaststellen van onder andere: de aard en de omvang van de resten van clustermunitie in gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen; de financiële en technologische middelen en mankracht die nodig zijn voor de uitvoering van het plan; de geschatte tijd die nodig is om alle resten van clustermunitie in gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen te ruimen en te vernietigen; voorlichtingsprogramma’s op het gebied van risicobeperking en bewustwordingsactiviteiten om het aantal door resten van clustermunitie veroorzaakte gewonden en doden terug te dringen; hulp aan slachtoffers van clustermunitie; en de betrekkingen op het gebied van coördinatie tussen de regering van de desbetreffende Staat die Partij is en de betrokken gouvernementele, intergouvernementele of niet-gouvernementele instanties die meewerken aan de uitvoering van het plan. 12. Staten die Partij zijn en bijstand verlenen en ontvangen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel werken samen teneinde zorg te dragen voor de volledige en onverwijlde uitvoering van de overeengekomen bijstandprogramma’s.

Rechtspraak bij dit artikel