Naar hoofdinhoud

TITEL III › HOOFDSTUK 1

Artikel 19

Gunstiger behandeling als gevolg van overeenkomsten inzake economische integratie

Onderdeel van Tijdelijke economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Centraal-Afrika, anderzijds· Internationaal publiekrecht

1. Wat de onder dit hoofdstuk vallende gebieden betreft, kent de EG Centraal-Afrika in voorkomend geval een gunstiger behandeling toe wanneer die toepasselijk wordt doordat de EG na de ondertekening van deze overeenkomst partij wordt bij een overeenkomst inzake economische integratie met derde partijen. 2. Wat de onder dit hoofdstuk vallende gebieden betreft, kent Centraal-Afrika de EG in voorkomend geval een gunstiger behandeling toe wanneer die toepasselijk wordt doordat Centraal-Afrika na de ondertekening van deze overeenkomst partij wordt bij een overeenkomst inzake economische integratie met een belangrijke handelspartner. 3. Indien Centraal-Afrika van een belangrijke handelspartner als gevolg van een overeenkomst inzake economische integratie met die partner een aanzienlijk gunstiger behandeling heeft verkregen dan die welke door de EG wordt aangeboden, besluiten de partijen in onderling overleg over de toepassing van lid 2. 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „overeenkomst inzake economische integratie” verstaan een overeenkomst tot wezenlijke liberalisering van de handel en tot wezenlijke afschaffing van discriminerende situaties tussen de partijen door middel van de opheffing van bestaande discriminerende maatregelen en/of een verbod op nieuwe discriminerende maatregelen of op de aanscherping van bestaande discriminerende maatregelen, bij de inwerkingtreding van die overeenkomst of volgens een redelijk tijdschema. 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „belangrijke handelspartner” verstaan elk ontwikkeld land of elk land dat in het jaar vóór de inwerkingtreding van de in lid 2 bedoelde overeenkomst inzake economische integratie een aandeel van meer dan 1% in de wereldhandel had, of elke groep landen die individueel, collectief of via een overeenkomst inzake economische integratie in het jaar vóór de inwerkingtreding van de in lid 2 bedoelde overeenkomst inzake economische integratie een aandeel van meer dan 1,5% in de wereldhandel had.2)Voor deze berekening wordt gebruik gemaakt van officiële WTO-gegevens over leidende exporteurs van producten in de wereldhandel (met uitzondering van de intra-EU-handel). . 6. De bepalingen van dit hoofdstuk mogen niet zodanig worden uitgelegd dat de partijen verplicht zijn elkaar een preferentiële behandeling toe te kennen omdat een van hen vóór de ondertekening van deze overeenkomst met een derde partij een overeenkomst inzake economische integratie heeft gesloten.

Rechtspraak bij dit artikel