Naar hoofdinhoud

TITEL VI › HOOFDSTUK 3 › AFDELING II

Artikel 75

Redelijke termijn voor naleving

Onderdeel van Tijdelijke economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Centraal-Afrika, anderzijds· Internationaal publiekrecht

1. Uiterlijk 30 dagen na de kennisgeving van de uitspraak van het arbitragepanel aan de partijen stelt de partij waartegen de klacht gericht is de klagende partij en het EPO-comité in kennis van de tijd die zij nodig heeft om de uitspraak na te leven, hierna „redelijke termijn” genoemd. 2. Indien de partijen het niet eens worden over een redelijke termijn voor naleving van de uitspraak van het arbitragepanel, kan de klagende partij het arbitragepanel binnen 20 dagen nadat de partij waartegen de klacht gericht is krachtens lid 1 kennisgeving heeft gedaan, schriftelijk verzoeken om een redelijke termijn vast te stellen. Dit verzoek wordt tegelijkertijd medegedeeld aan de andere partij en aan het EPO-comité. Het arbitragepanel stelt de partijen en het EPO-comité binnen 30 dagen na de indiening van het verzoek in kennis van zijn uitspraak. 3. Het arbitragepanel houdt bij de vaststelling van de redelijke termijn rekening met de tijd die de partij waartegen de klacht gericht is of, in voorkomend geval, de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten gewoonlijk nodig heeft (hebben) voor de goedkeuring van wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen die vergelijkbaar zijn met die welke door de klagende partij of, in voorkomend geval, de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten noodzakelijk worden geacht om naleving te waarborgen. Het arbitragepanel houdt ook rekening met aantoonbare capaciteitsbeperkingen die van invloed kunnen zijn op de goedkeuring van de noodzakelijke maatregelen door de partij waartegen de klacht gericht is. 4. Wanneer het oorspronkelijke arbitragepanel, of een of meer van de leden ervan, niet opnieuw kan (kunnen) bijeenkomen, is de procedure van artikel 71 van toepassing. De termijn waarbinnen uitspraak moet worden gedaan, bedraagt 45 dagen na de datum van indiening van het in lid 2 bedoelde verzoek. 5. De redelijke termijn kan in onderling overleg tussen de partijen worden verlengd.

Rechtspraak bij dit artikel